Scherpere foto’s met deze tips

Je hebt een goede camera met verwisselbare objectieven waarmee je mooie platen schiet. De foto’s die je maakt blijken echter niet altijd zo scherp te zijn als je eigenlijk zou willen. Hoe komt het nu dat je foto’s net dat beetje scherpte, dat je graag ziet in foto’s, mist?

In dit bericht behandel ik de veel voorkomende oorzaken voor het gebrek aan scherpte in een foto en geef je tips hoe jij scherpere foto’s kunt maken.

Niet te herstellen

Vaak zie je pas thuis dat een foto niet helemaal scherp is als je de foto naar jouw computer kopieert en op een computerscherm bekijkt. Op dit moment dat je dit constateert is er helaas niets meer aan te doen aan dit gebrek aan scherpte. De mogelijkheden voor nabewerking van foto’s op de computer zijn krachtig en veelzijdig, maar het herstellen van scherpte die ontbreekt in de originele foto is helaas niet mogelijk.

Het is dus zaak om bij het maken van de foto ervoor te zorgen dat de foto’s voldoende scherp zijn. Hierdoor voorkom je teleurstellingen tijdens de nabewerking van de foto’s! Het is natuurlijk erg vervelend om er later achter te komen dat je foto’s niet helemaal scherp zijn.

Hieronder volgen een aantal tips voor het maken van ragscherpe foto’s.

1. Nauwkeurig scherpstellen

Voor een scherpe foto dient er goed te zijn scherpgesteld op het onderwerp van de foto. Dat is uiteraard logisch. Het is echter niet vanzelfsprekend dat dit ook goed gaat.

Bij je camera kun je kiezen voor de volgende scherpstelmodes:

– Single shot autofocus AF-S;
Bij single shot autofocus stelt de camerabody eenmalig scherp bij het gedeeltelijk indrukken van de ontspanner.
– Continuous autofocus AF-C;
In deze stand stelt de camera continu scherp op het onderwerp zolang je de ontspanknop ingedrukt houd.
– Handmatig scherpstellen MF.

In deze stand pas je zelf de scherpstelafstand aan door aan de schermstelring op het objectief te draaien.

Single shot autofocus is met na geschikt voor het nauwkeurig scherpstellen op een stilstaand onderwerp. De camera stelt eenmalig scherp bij het half indrukken van de ontspanner. De gekozen scherpstelafstand wordt vervolgens gebruiker tijdens de opname.

De AF-C is met name geschikt voor bewegende onderwerpen. Wanneer de afstand tussen de camera en het onderwerp verandert zal de autofocus van je camerabody continu het onderwerp blijven volgen zodat dit scherp in beeld blijft.

Als de camera moeite heeft met scherpstellen door slechte lichtomstandigheden, of als je wil fotograferen met een hele kleine scherptediepte dan is het kiezen voor een handmatige scherpstelling wellicht de beste keuze.

Op basis van het soort onderwerp dat je wil fotograferen kies je dus een scherpstelmodus.

Wanneer je de stand AF-S gebruikt in combinatie met een kleine scherptediepte, dan is het belangrijk dat je voorkomt dat kleine bewegingen van de camera of je onderwerp tot gevolg heeft dat het scherptevlak niet meer op de juiste plaats ligt.

2. Kies de juiste sluitertijd

De sluitertijd die gebruikt wordt bij het maken van een foto heeft invloed op de mate waarin bewegingsonscherpte voorkomt in de foto.
Bewegingsonscherpte wordt veroorzaakt door een beweging van het onderwerp tijdens het maken van de foto, of door beweging van de camera als de sluiter van de camera open staan.

Als vuistregel voor het maken van scherpte foto’s wordt vaak een maximale sluitertijd gehanteerd die even groot is als 1/brandpuntsafstand. Bij het volgen van deze regel wordt bewegingsonscherpte door beweging van de camerabody acceptabel te zijn. Bij gebruik van een objectief met een brandpuntsafstand van 50mm betekent dit dus dat de sluitertijd maximaal 1/50 is. In de praktijk dus een sluitertijd van maximaal 1/60 seconden, omdat een tijd van 1/50 niet kan worden gekozen op de camera.
Mijn ervaring is echter dat een sluitertijd volgens deze vuistregel niet voldoende is om een haarscherpe foto te maken. Ik de praktijk gebruik ik dan ook het liefste een sluitertijd van maximaal 1/2*sluitertijd. Bij een brandpuntsafstand dus maximaal 1/100 seconden.

3. Voorkom bewegingsonscherpte

Onscherpte in een foto kan worden veroorzaakt door een beweging van de camerabody of een beweging van het onderwerp tijdens het maken van de foto.

Hou je camera goed stil

Om bewegingsonscherpte door bewegingen van de camerabody te voorkomen is het zaak de body zo stil mogelijk te houden. Dit geldt met name bij het fotograferen met wat langere sluitertijden. Bij een langere sluitertijd zijn bewegingen van de camerabody namelijk beter zichtbaar op de uiteindelijke foto.

Gebruik de beeldstabilisatie van je camera of objectief

Door beeldstabilisatie in je camerabody of in het gebruikte objectief kan bewegingsonscherpte die wordt veroorzaakt door beweging van je camera worden gereduceerd. Beeldstabilisatie in moderne camera’s is redelijk effectief. Hierdoor wordt een een winst behaald van ongeveer twee stops in vergelijking met het maken van de foto zonder ingeschakelde beelstabilisatie. Je kunt dan dus een langere sluitertijd gebruiken, zonder dat dit leidt tot zichtbare bewegingsonscherpte in de foto.

4. Calibreer de autofocus van je camera

Een spiegelreflex of SLT (Single Lens Translucent) camera maakt gebruik van phase detection autofocus sensoren die niet op de beeldsensor zijn aangebracht, maar die separaat in de camerabody zijn geplaatst. Deze camera’s kunnen hierdoor zeer snel scherpstellen op het onderwerp. Doordat de scherpstelsensoren niet op de beeldsensor is geplaatst is het hierbij mogelijk dat dit autofocussysteem kleine afwijkingen kent tussen het beeld dat door de autofocussensoren als een optimaal scherp beeld wordt beoordeeld en de werkelijke scherpte van het beeld op de beeldsensor.

Dit kan tot gevolg hebben dat de beelden niet optimaal scherp zijn. Door het calibreren van de camerabody in combinatie met de gebruikte objectieven kunnen scherpere foto’s worden gemaakt. Bij het calibreren wordt namelijk de afwijking tussen deze scherpstelafstanden gecorrigeerd.

Meer lezen over het kalibreren van de autofocus van je camera?

Calibreren-camera-objectief

Bij systeemcamera’s zijn de scherpstelsensoren op de beeldsensoren geplaatst en bestaat deze afwijking dus niet. Bij systeemcamera’s bestaat er dan ook geen noodzaak het uitvoeren van een calibratie.

5. Een goede nabewerking

Hoe goed de kwaliteit van je camera en objectief ook is, voor echt scherpe foto’s is nabewerking van de foto’s altijd nodig. Als je de camera hebt ingesteld dat deze de foto’s opslaat in jpg-formaat, dan zal de camera voordat de bestanden worden opgeslagen een aantal bewerkingen doen op de foto. De camera zal hierbij ook de foto verscherpen. Als je echter fotografeert in RAW, wat zeker aan te raden is, dan is deze verscherping nog niet uitgevoerd door de camerabody. De camera slaat namelijk alleen de ruwe data van de beeldsensor van de camera op in een bestand en voert geen bewerkingen uit op de foto. De foto’s zullen dan dus in de nabewerking achteraf moeten worden verscherpt. Alle fotobewerkingsprogramma’s bieden de mogelijkheid om de foto’s te verscherpen.

Gebruik de functie verscherpen echter wel met mate. Het toevoegen van te veel scherpte geeft een onnatuurlijk en rafelachtig resultaat en zorgt er tevens voor dat de ruis in de foto beter zichtbaar wordt.

6. Niet alle objectieven zijn gelijk

Er zijn veel verschillende keuzen in objectieven, elk met hun eigenschappen. Ook ten aanzien van scherpte bestaan er belangrijke verschillen tussen de verschillende objectieven. Wil je meer weten over het kiezen van een objectief voor jouw camera? Lees dan mijn blogbericht over het kiezen van een objectief.

7. Let op de sweetspot  van je objectief

Bij het gebruik van een grote diafragma opening is het beeld in het midden van het objectief redelijk scherp, maar de scherpte aan de randen van de foto is wat minder hoog.
Elk objectief heeft een zogenaamde sweetspot. De sweetspot is de diafragma opening waarbij de scherpte het hoogst is in het centrum en aan de randen van de foto. De hoogste scherpte van een objectief wordt over het algemeen bereikt bij een diafragma één tot twee stops boven een maximale diafragma opening. Een objectief met een maximale diafragma opening van f/1.8 presteert qua scherpte dus optimaal vanaf ongeveer f/2.8 tot f/4.

Hoe kleiner het diafragma dus, hoe scherper de foto? Nee, dat is ook niet helemaal waar. Bij een heel klein diafragma treedt namelijk diffractie op. Bij het verschijnsel diffractie worden lichtstralen afgebogen wanneer zij een kleine opening passeren. Dit effect zal de scherpte van de gehele foto, dus zowel het midden als de randen verlagen. Als je op zoek bent naar optimale scherpte, dan kunnen je dus het beste een diafragmaopening in het tussengebied kiezen: de sweetspot.

Wil je weten waar de sweetspot van jouw objectief ligt? Op websites als www.dxomark.com kun je testresultaten van objectieven vinden. In deze testresultaten zijn ook grafieken opgenomen die de scherpte weergeven, uitgezet tegen de gebruikte diafragmagrootte en brandpuntsafstand.

Scherpte Sony DT 16-50 F2.8 SSM

Grafiek met het scherpteverloop van de Sony DT 16-50 F2.8 SSM Bron: www.dxomark.com

In de bovenstaande grafiek zie je het scherpteverloop van mijn Sony DT 16-50 F2.8 SSM objectief. Op basis van deze grafiek blijkt de scherpte dus het hoogst te zijn bij een diafragmawaarde tussen ongeveer F/4 en F8.

Ik ben heel benieuwd of de bovenstaande tips jou hebben geholpen om nog scherpere foto’s te maken. Heb je ervaringen hiermee of wil je reageren? Laat dan gerust een reactie achter onder dit bericht.

...

Over-Jaap-Burggraaf-Fotografie-2

Welkom op mijn blog. Op mijn blog lees je meer over gear, fotografietechnieken, fotografietips en meer!

Kijk lekker rond op mijn pagina. Heb je vragen: stel ze gerust.




You May Also Like

Geen reacties on This Post

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Waar wil je over lezen?
Locaties: